Christelijk gebed
Psalm 69
Psalm 69 uit de Bijbel, met de oorspronkelijke tekst en de betekenis ervan.
- 36 verzen
- Ongeveer 2 minuten om te bidden
- Uit de Bijbel
- 1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim. Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
- 2
Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
- 3
Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
- 4
Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
- 5
O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
- 6
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
- 7
Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
- 8
Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
- 9
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
- 10
En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
- 11
En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
- 12
Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
- 13
Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
- 14
Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
- 15
Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
- 16
Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
- 17
En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
- 18
Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
- 19
Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
- 20
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
- 21
Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
- 22
Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
- 23
Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
- 24
Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
- 25
Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
- 26
Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
- 27
Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
- 28
Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
- 29
Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
- 30
Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
- 31
En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
- 32
De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
- 33
Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
- 34
Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
- 35
Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;
- 36
En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.
De oorspronkelijke tekst
1 לַמְנַצֵּ֬חַ עַֽל־שׁוֹשַׁנִּ֬ים לְדָוִֽד׃
2 הוֹשִׁיעֵ֥נִי אֱלֹהִ֑ים כִּ֤י בָ֖אוּ מַ֣יִם עַד־נָֽפֶשׁ׃
3 טָבַ֤עְתִּי ׀ בִּיוֵ֣ן מְ֭צוּלָה וְאֵ֣ין מָעֳמָ֑ד בָּ֥אתִי בְמַעֲמַקֵּי־מַ֝֗יִם וְשִׁבֹּ֥לֶת שְׁטָפָֽתְנִי׃
4 יָגַ֣עְתִּי בְקָרְאִי֮ נִחַ֪ר גְּר֫וֹנִ֥י כָּל֥וּ עֵינַ֑י מְ֝יַחֵ֗ל לֵאלֹהָֽי׃
5 רַבּ֤וּ ׀ מִשַּׂעֲר֣וֹת רֹאשִׁי֮ שֹׂנְאַ֪י חִ֫נָּ֥ם עָצְמ֣וּ מַ֭צְמִיתַי אֹיְבַ֣י שֶׁ֑קֶר אֲשֶׁ֥ר לֹא־גָ֝זַ֗לְתִּי אָ֣ז אָשִֽׁיב׃
6 אֱֽלֹהִ֗ים אַתָּ֣ה יָ֭דַעְתָּ לְאִוַּלְתִּ֑י וְ֝אַשְׁמוֹתַ֗י מִמְּךָ֥ לֹא־נִכְחָֽדוּ׃
7 אַל־יֵ֘בֹ֤שׁוּ בִ֨י ׀ קֹוֶיךָ֮ אֲדֹנָ֥י יְהוִ֗ה צְבָ֫א֥וֹת אַל־יִכָּ֣לְמוּ בִ֣י מְבַקְשֶׁ֑יךָ אֱ֝לֹהֵ֗י יִשְׂרָאֵֽל׃
8 כִּֽי־עָ֭לֶיךָ נָשָׂ֣אתִי חֶרְפָּ֑ה כִּסְּתָ֖ה כְלִמָּ֣ה פָנָֽי׃
9 מ֭וּזָר הָיִ֣יתִי לְאֶחָ֑י וְ֝נָכְרִ֗י לִבְנֵ֥י אִמִּֽי׃
10 כִּֽי־קִנְאַ֣ת בֵּיתְךָ֣ אֲכָלָ֑תְנִי וְחֶרְפּ֥וֹת ח֝וֹרְפֶ֗יךָ נָפְל֥וּ עָלָֽי׃
11 וָאֶבְכֶּ֣ה בַצּ֣וֹם נַפְשִׁ֑י וַתְּהִ֖י לַחֲרָפ֣וֹת לִֽי׃
12 וָאֶתְּנָ֣ה לְבוּשִׁ֣י שָׂ֑ק וָאֱהִ֖י לָהֶ֣ם לְמָשָֽׁל׃
13 יָשִׂ֣יחוּ בִ֭י יֹ֣שְׁבֵי שָׁ֑עַר וּ֝נְגִינ֗וֹת שׁוֹתֵ֥י שֵׁכָֽר׃
14 וַאֲנִ֤י תְפִלָּתִֽי־לְךָ֨ ׀ יְהוָ֡ה עֵ֤ת רָצ֗וֹן אֱלֹהִ֥ים בְּרָב־חַסְדֶּ֑ךָ עֲ֝נֵ֗נִי בֶּאֱמֶ֥ת יִשְׁעֶֽךָ׃
15 הַצִּילֵ֣נִי מִ֭טִּיט וְאַל־אֶטְבָּ֑עָה אִנָּצְלָ֥ה מִ֝שֹּֽׂנְאַ֗י וּמִמַּֽעֲמַקֵּי־מָֽיִם׃
16 אַל־תִּשְׁטְפֵ֤נִי ׀ שִׁבֹּ֣לֶת מַ֭יִם וְאַל־תִּבְלָעֵ֣נִי מְצוּלָ֑ה וְאַל־תֶּאְטַר־עָלַ֖י בְּאֵ֣ר פִּֽיהָ׃
17 עֲנֵ֣נִי יְ֭הוָה כִּי־ט֣וֹב חַסְדֶּ֑ךָ כְּרֹ֥ב רַ֝חֲמֶ֗יךָ פְּנֵ֣ה אֵלָֽי׃
18 וְאַל־תַּסְתֵּ֣ר פָּ֭נֶיךָ מֵֽעַבְדֶּ֑ךָ כִּֽי־צַר־לִ֝֗י מַהֵ֥ר עֲנֵֽנִי׃
19 קָרְבָ֣ה אֶל־נַפְשִׁ֣י גְאָלָ֑הּ לְמַ֖עַן אֹיְבַ֣י פְּדֵֽנִי׃
20 אַתָּ֤ה יָדַ֗עְתָּ חֶרְפָּתִ֣י וּ֭בָשְׁתִּי וּכְלִמָּתִ֑י נֶ֝גְדְּךָ֗ כָּל־צוֹרְרָֽי׃
21 חֶרְפָּ֤ה ׀ שָֽׁבְרָ֥ה לִבִּ֗י וָֽאָ֫נ֥וּשָׁה וָאֲקַוֶּ֣ה לָנ֣וּד וָאַ֑יִן וְ֝לַמְנַחֲמִ֗ים וְלֹ֣א מָצָֽאתִי׃
22 וַיִּתְּנ֣וּ בְּבָרוּתִ֣י רֹ֑אשׁ וְ֝לִצְמָאִ֗י יַשְׁק֥וּנִי חֹֽמֶץ׃
23 יְהִֽי־שֻׁלְחָנָ֣ם לִפְנֵיהֶ֣ם לְפָ֑ח וְלִשְׁלוֹמִ֥ים לְמוֹקֵֽשׁ׃
24 תֶּחְשַׁ֣כְנָה עֵ֭ינֵיהֶם מֵרְא֑וֹת וּ֝מָתְנֵ֗יהֶם תָּמִ֥יד הַמְעַֽד׃
25 שְׁפָךְ־עֲלֵיהֶ֥ם זַעְמֶ֑ךָ וַחֲר֥וֹן אַ֝פְּךָ֗ יַשִּׂיגֵֽם׃
26 תְּהִי־טִֽירָתָ֥ם נְשַׁמָּ֑ה בְּ֝אָהֳלֵיהֶ֗ם אַל־יְהִ֥י יֹשֵֽׁב׃
27 כִּֽי־אַתָּ֣ה אֲשֶׁר־הִכִּ֣יתָ רָדָ֑פוּ וְאֶל־מַכְא֖וֹב חֲלָלֶ֣יךָ יְסַפֵּֽרוּ׃
28 תְּֽנָה־עָ֭וֺן עַל־עֲוֺנָ֑ם וְאַל־יָ֝בֹ֗אוּ בְּצִדְקָתֶֽךָ׃
29 יִ֭מָּחֽוּ מִסֵּ֣פֶר חַיִּ֑ים וְעִ֥ם צַ֝דִּיקִ֗ים אַל־יִכָּתֵֽבוּ׃
30 וַ֭אֲנִי עָנִ֣י וְכוֹאֵ֑ב יְשׁוּעָתְךָ֖ אֱלֹהִ֣ים תְּשַׂגְּבֵֽנִי׃
31 אֲהַֽלְלָ֣ה שֵׁם־אֱלֹהִ֣ים בְּשִׁ֑יר וַאֲגַדְּלֶ֥נּוּ בְתוֹדָֽה׃
32 וְתִיטַ֣ב לַֽ֭יהוָה מִשּׁ֥וֹר פָּ֗ר מַקְרִ֥ן מַפְרִֽיס׃
33 רָא֣וּ עֲנָוִ֣ים יִשְׂמָ֑חוּ דֹּרְשֵׁ֥י אֱ֝לֹהִ֗ים וִיחִ֥י לְבַבְכֶֽם׃
34 כִּֽי־שֹׁמֵ֣עַ אֶל־אֶבְיוֹנִ֣ים יְהוָ֑ה וְאֶת־אֲ֝סִירָ֗יו לֹ֣א בָזָֽה׃
35 יְֽ֭הַלְלוּהוּ שָׁמַ֣יִם וָאָ֑רֶץ יַ֝מִּ֗ים וְֽכָל־רֹמֵ֥שׂ בָּֽם׃
36 כִּ֤י אֱלֹהִ֨ים ׀ י֘וֹשִׁ֤יעַ צִיּ֗וֹן וְ֭יִבְנֶה עָרֵ֣י יְהוּדָ֑ה וְיָ֥שְׁבוּ שָׁ֝֗ם וִירֵשֽׁוּהָ׃
37 וְזֶ֣רַע עֲ֭בָדָיו יִנְחָל֑וּהָ וְאֹהֲבֵ֥י שְׁ֝מ֗וֹ יִשְׁכְּנוּ־בָֽהּ׃
Bewoording: De Heilige Schrift, 1917. Woordelijk overgenomen uit de hier genoemde uitgave
Gratis lezen, kopiëren en afdrukken. Inloggen is niet nodig.
Wanneer het wordt gebeden
Veel christenen bidden Psalm 69 in tijden van nood, afwijzing of onrechtvaardige behandeling en gebruiken de woorden om hun pijn voor God te brengen. In de christelijke traditie wordt deze psalm ook gelezen in verband met het lijden van Jezus, vooral tijdens de Goede Week. De overgang naar lofprijzing biedt woorden van hoop, ook wanneer de nood voortduurt.
Waar het vandaan komt
Psalm 69 komt uit het boek Psalmen in de Bijbel en wordt traditioneel toegeschreven aan David. De oorspronkelijke taal is het Hebreeuws. Het Nieuwe Testament grijpt op deze psalm terug in passages die verband houden met Jezus. Dit heeft de plaats van de psalm in het christelijke gebed en de christelijke uitleg mede bepaald.

Library of Alexandria
Elk gebed en de boeken waaruit ze komen
Onbeperkt e-books, luisterboeken en samenvattingen in 15 minuten, en gedrukte boeken tegen drukkosten: paperback, gebonden en in grote letters. 5 accounts voor de prijs van één, in 25 talen. Begin gratis.
- De heilige geschriften, heiligen en mystici van elk geloof
- 5 accounts voor de prijs van één, voor je hele huishouden
- Paperback, gebonden en in grote letters, tegen drukkosten
Gratis beginnen. Wordt elk jaar verlengd. Op elk moment opzegbaar.
Verwante gebeden en teksten
- ChristelijkPsalm 91Een Bijbelse psalm van vertrouwen op Gods beschutting en bescherming te midden van gevaar.
- ChristelijkPsalm 23Een Bijbelse psalm van vertrouwen op God, voorgesteld als een zorgzame herder en gulle gastheer.
- ChristelijkPsalm 121Een bijbelse psalm van vertrouwen op God als de behoeder van wie bij Hem hulp zoeken.
- ChristelijkPsalm 35Een Bijbelse psalm waarin God wordt gevraagd om bescherming, gerechtigheid en bevrijding van vijanden.
Vragen over Psalm 69
Hoeveel verzen heeft Psalm 69?
Psalm 69 heeft 36 verzen.
Waar gaat Psalm 69 over?
Het is een gebed van iemand die overweldigd wordt door lijden en vijandigheid en God vraagt om gehoor en redding. De psalm bevat indringende smeekbeden om een oordeel over vijanden en eindigt met lofprijzing en hoop voor Gods volk.
Wie heeft Psalm 69 geschreven?
Psalm 69 wordt traditioneel toegeschreven aan David. Die toeschrijving geeft geen uitsluitsel over het precieze tijdstip waarop de psalm is geschreven.
Waarom wordt Psalm 69 met Jezus in verband gebracht?
Het Nieuwe Testament gebruikt woorden uit deze psalm in verband met Jezus, onder meer over zijn ijver voor Gods huis en het aanbieden van zure wijn tijdens zijn kruisiging. Daarom lezen christenen deze psalm vaak naast de verhalen over zijn lijden.
Hoelang duurt het om de psalm te bidden?
Het duurt ongeveer 2 minuten om de psalm te bidden, al kan het tempo verschillen, vooral wanneer er wordt gepauzeerd voor bezinning.


















